An Ansoms | de pijn van anderen dragen, voorbij de academische taal

Een boek dat niet als boek begon

An had aanvankelijk niet de bedoeling een boek te schrijven. Ze begon over haar eigen verhaal te schrijven op een bijzonder kwetsbaar moment in haar leven, toen het niet goed met haar ging — een tijd van grote omwenteling en emotionele ontreddering. Schrijven was een manier om haar verhalen terug naar zich toe te halen en de emotionele lagen ervan te herontdekken; ze schreef naar eigen zeggen ongeveer drie keer het volume van het uiteindelijke boek. Pas toen ze stukken deelde met vrienden, die haar zeiden dat er méér in zat dan enkel haar eigen leven, begon ze te beseffen dat er een boek in school.

De grenzen van academische taal

Vroeg in haar leven koos An ervoor zich in academische taal uit te drukken, omdat ze daar legitimiteit in zag. Maar gaandeweg zag ze de beperkingen ervan: hoeveel níét gezegd kan worden in wetenschappelijke taal, hoe die taal afstand schept tussen schrijver en onderwerp, en hoe het Engels — en in mindere mate het Frans en Spaans — andere stemmen het zwijgen oplegt. Haar boek voelde als een soort "wraak" van haar eigen, lang opgesloten manier van schrijven. De vorm is ook een metafoor: als academicus leer je het feit wegmoffelen dat je óók een mens bent, een heel persoon. In haar discipline — ze kreeg een opleiding in kwantitatieve bedrijfseconomie — leerde ze dat haar eigen verhaal, haar emoties, haar menselijke kant niet legitiem waren, en dat ruimte geven daaraan zelfs een wetenschappelijke fout was.

Het risico van kwetsbaarheid

Een narratieve stijl én emotionaliteit als onderwerp: An voelde het risico. Een collega raadde haar zelfs af te publiceren — "dat moet je doen wanneer je zestig bent, want het is heel riskant om jezelf als kwetsbaar mens te tonen; op jouw leeftijd heb je die luxe niet." Toch koos ze ervoor om wél te durven spreken, geïnspireerd door haar onderzoeksdeelnemers, die hun verhalen vaak deelden met veel hogere risico's dan zij ooit liep met dit boek. Terugkijkend was het schrijven zowel bevrijdend als ontblotend: bevrijdend omdat ze de ruimte voor haar verhaal opeiste, vooral binnen zichzelf; ontblotend omdat de verhalen er nu zijn, om je aan te spiegelen, maar ook om te misbruiken.

Geen happy end, wel ruimte voor twijfel

An bracht bewust haar twijfels en zorgen mee in het weefsel van het boek. Op een bepaald moment dacht ze dat ze niet "gerechtigd" was om te publiceren zolang ze het niet allemaal had uitgevogeld — tot ze besefte dat dat uitvogelen een illusie is. Beter om de twijfel zelf de ruimte te geven. Er is geen happy end, geen culminatie, geen aha-moment van verworven wijsheid. Het leven is navigeren, en juist dat is mooi — inclusief de twijfel, inclusief de onzekerheid.

Kwetsbaarheid als luxe — en als privilege

Kwetsbaarheid zou geen luxe mogen zijn, en toch is ze dat nog, erkent An scherp. Ze kon dit boek schrijven omdat ze een stabiele baan heeft, omdat ze de tijd kon nemen om te reflecteren. Die luxe hangt samen met jobzekerheid, nationaliteit, maar ook met klasse en huidskleur — met de manier waarop een witte Europese vrouw een podium en ruimte krijgt die voor een zwarte Afrikaanse vrouw niet vanzelfsprekend zou zijn. Ze voelde dat ze haar deel moest doen, anders zou haar boodschap — meer ruimte voor verhalen — niet coherent zijn.

Van optie naar opdracht

Wie een optie heeft, bevindt zich in een positie van privilege. Voor An werd die optie op bepaalde momenten een opdracht, vooral toen ze begon te spreken over haar posttraumatische stress. Aanvankelijk dacht ze dat ze er alleen voor stond, tot ze besefte hoeveel mensen in haar vak een emotioneel gewicht in hun rugzak meedragen. Zo groeide het besef: hierover moeten we meer weten, de academische wereld moet de tol erkennen die onderzoek kan eisen — de nood aan zorg, aan tijd om te reflecteren, aan professionele gezondheidszorg. Het werd deels een missie, soms zelfs een obsessie, bijvoorbeeld rond de vaststelling hoe weinig ruimte er in de academische wereld is om over intimidatie tijdens onderzoek te spreken. Ze moest haar eigen tempo zoeken in het dragen van dat grotere verhaal, zonder op alle barricades tegelijk te staan.

Het bos als spiegel

Doorheen het gesprek — en het boek — keert An telkens terug naar de natuur als een kracht die reguleert en evenwicht brengt. Bomen en bossen zijn voor haar een metafoor: je ziet de bomen boven de grond, maar je weet dat ze ondergronds met elkaar verbonden zijn in een ecosysteem dat samenwerkt, soms concurreert, maar samen bestaat. Bomen overleven mensen — een les in bescheidenheid, die dingen in perspectief plaatst. En zelfs wanneer een boom valt, verdwijnt hij nooit helemaal: wat op de bodem valt, blijft deel van het ecosysteem. Die metafoor draagt ze, met name in verband met twee mensen die ze in het boek Amy en Davina noemt — die beiden helaas overleden, en wier nalatenschap ze met zich meedraagt. Rouw, zegt ze, is een fase waarin je ruimte maakt voor de zwaarte, maar ook voor de vreugde en het licht die je hebt gedeeld.

De verantwoordelijkheid van het luisteren

Wat is de verantwoordelijkheid van wie naar verhalen luistert? Voor An is de eerste: écht luisteren. Een onderzoeker komt niet zomaar praten, maar verzamelt data — en juist daarom moet je bij mensen die trauma, conflict of armoede doormaken ruimte geven aan álle aspecten van hun verhaal, niet alleen aan wat jij nodig hebt, en ook hun stiltes respecteren. Een onderzoeker heeft geen recht op alles in naam van de wetenschap. Stiltes dragen betekenis — een eigen taal. Als onderzoekers zijn we vaak geobsedeerd door het exacte citaat, terwijl mensen juist veel tussen de regels delen. Ze vertelt over een dorpshoofd in Rwanda dat haar wandelend de loftrompet over maïs (een verplicht gewas) bleef toezingen, terwijl het gewas duidelijk slecht groeide en er verboden zoete aardappelen stonden. Op haar opmerking — "interessante maïs die je hier hebt" — antwoordde hij: "ja, dit is de beste maïs die we ooit hadden." Onderzoekers moeten geïnteresseerd zijn in wat mensen tussen de regels verbergen: stiltes, lachjes, dubbele lagen — en zelfs een weigering om te praten is deel van het onderzoek, met een eigen reden.

Jezelf beschermen — en zorgen voor jezelf

Vasthouden aan een onderzoeksdoel is soms ook een vorm van bescherming, want als luisterende onderzoeker raak je snel emotioneel overspoeld. Soms beland je in diepe emotionele lagen zonder te beseffen hoe je daar terechtkwam. Daarom benadrukt An dat onderzoek naar emotioneel beladen thema's niet alleen goede voorbereiding en methodologie vraagt, maar ook zelfzorg: voldoende pauzes, ruimte in je eigen leven om de emotionele lading te verwerken, en de moed om weg te stappen wanneer je overspoeld raakt. Onderzoekers zijn hierin lang onderschat én onvoldoende uitgerust: er zijn prachtige cursussen over theorie, methode en onderzoeksethiek, maar zelden over de emotionaliteit van onderzoek. Al vijf jaar organiseert An zelf een residentiële wintercursus rond dit thema — niet zonder weerstand van collega's die het nut ervan niet inzagen.

Ethische dilemma's, en de illusie van competitie

Onderzoeksethiek is geen checklist, benadrukt An: in complexe onderzoeksvelden beland je onvermijdelijk in ethische dilemma's, hoe goed je je ook voorbereidt. Die dilemma's hebben geen makkelijke, zwart-witte oplossing — het gaat om leren navigeren, en vooral om niet alleen te blijven. Cruciaal is omringd te zijn door een groep die je niet veroordeelt, want wie zich veroordeeld voelt, wordt defensief en grijpt naar simplistische antwoorden. Ze pleit voor structuren die in de academische wereld zijn ingebouwd, voor professionele gezondheidszorg zoals die ook bestaat voor artsen, brandweerlieden of het leger — en niet alleen voor "uitzonderlijke" gevallen, want in het tijdperk van fake en post-truth krijgen veel onderzoekers te maken met intimidatie en druk. Ze gelooft niet in het idee dat de beste wetenschap in competitie ontstaat; de beste wetenschap groeit uit collegialiteit en mensen die samenwerken.

Positionaliteit en het leren zien van privilege

An beschrijft zichzelf als een witte, Europese, academisch geprivilegieerde onderzoeker die werkt in regio's getekend door koloniale geschiedenis en mondiale ongelijkheid. Dacht ze zich daar in het begin bewust van te zijn, dan was ze dat eigenlijk niet — want het eigene aan privilege is dat je vaak niet beseft wat het betekent om het níét te hebben. Iedereen heeft kwetsbare kanten, maar het is belangrijk je eigen kwetsbaarheid niet gelijk te stellen aan wat anderen doormaken: een witte Belgische vrouw zijn in de academische wereld is niet hetzelfde als racisme of klassendiscriminatie ervaren. Door jarenlang met Afrikaanse collega's te werken — in haar team zijn ze in de meerderheid — zag ze pas na vele incidenten het systematische racisme dat ze als niet-zwarte persoon makkelijk voor uitzonderingen had kunnen aanzien. Het is belangrijk dat wie niet het mikpunt is van discriminatie, mee spreekt, zodat die last niet alleen op de schouders van de getroffenen rust.

Een podium geven dat geen geweld wordt

Tijdens een diversiteitsweek aan haar universiteit zag An hoe pijnlijk het voor zwarte collega's was om op een podium over hun vernederingen te moeten spreken — bijna alsof je iemand vraagt zich uit te kleden. Wanneer dat moment niet wordt gevolgd door concrete maatregelen, wordt het een vorm van geweld op zich. Geprivilegieerde mensen beseffen vaak niet hoe schadelijk en traumatiserend het kan zijn om publiekelijk kwetsbaarheid te tonen, en denken dat ze door een ondervertegenwoordigde stem een podium te geven iets groots doen. An had de tijd om te reflecteren over welk verhaal ze wel en niet zou vertellen; ondervertegenwoordigde stemmen krijgen die tijd vaak niet — ze worden op een podium geworpen om "de zwarte stem" of "de moslimstem" te vertegenwoordigen. Voor haar betekent dekoloniseren in de eerste plaats: je bewust zijn van je eigen privilege en macht, en durven raken aan je eigen ongemak.

Brug of tussen werelden vallen?

An beweegt voortdurend tussen werelden: Europa en Afrika, academie en gemeenschappen, data en menselijke verhalen. Een Congolese kunstenaar opperde ooit haar te tekenen met één been in elke wereld. Soms staan die werelden dicht bij elkaar en is het makkelijk; soms liggen ze ver uiteen en doet het spreiden pijn. Of ze een brug is, weet ze niet zeker — maar ze staat wel op de brug, niet helemaal hier en niet helemaal daar, altijd een beetje verscheurd, maar ook prachtig verbonden met verschillende werelden. Ze zou nergens anders willen zijn.

Secundair trauma, en de Lara Croft-mythe

Een van de meest aangrijpende delen van het boek: hoe het aanhoren van zoveel verhalen van conflict en lijden uiteindelijk leidde tot haar eigen posttraumatische stress — iets waar onderzoekers zelden openlijk over spreken. Lange tijd besefte An het niet, mede omdat ze nauwelijks momenten nam om te rusten of stil te staan. Ze zag zichzelf als een soort "Lara Croft": de taaie vrouw die door een ontploffende wereld rent en er levend en grappend uitkomt — een beeld dat ook past bij de macho-cultuur van de academische wereld. Ze wist niet eens dat secundair trauma bestond. Pas toen ze volop in cycli van paniekaanvallen zat, en haar psychologe haar zei "ik denk dat je getraumatiseerd bent", begon het te dagen — al lachte ze eerst, want trauma was in haar ogen voorbehouden aan wie een genocide had overleefd. Ze worstelde lang met de "legitimiteit" van haar trauma, tot het lichaam fysiek bewijs leverde.

Het lichaam weet

Het lichaam weet hoe te reguleren — maar veel wetenschappers hebben geleerd níét naar hun lichaam te luisteren. An herkende dat: ze zag haar lichaam lang als een motor die haar van A naar B bracht en moest presteren wat haar hoofd besliste. Ze dacht dat het overwinnen van fysiek ongemak een kracht was; nu weet ze dat het een gebrek was. Het gesprek raakt een gedeelde ervaring — Artemis vertelt over een dag huilen op een dak tijdens onderzoek in Palestina — en mondt uit in het belang van een decompressiemechanisme dat werkt: huilen, of iets anders, maar geen destructieve omgang met je lichaam.

Kunst als eigen taal

Het boek wordt begeleid door illustraties van Otil Uvera. Voor An is kunst geen versiering die ná de wetenschap komt: kunst heeft een eigen taal en drukt vaak uit wat wetenschappelijk niet te zeggen valt. Bij samenwerkingen tussen kunst en wetenschap zouden we de wetenschap niet altijd voorop moeten zetten. Ze vertelt over een recente workshop in Noord-Congo waar dove deelnemers sketches in gebarentaal speelden die niemand letterlijk verstond — en juist daardoor iets tot leven brachten wat horende aanwezigen nooit op die manier hadden kunnen vatten. Waar je bij mensen tekortkomingen kunt zien, kun je ook mogelijkheden zien.

Wat het schrijven veranderde

Het schrijven was een keerpunt. An vond meer rust, werd zachter — voor zichzelf én voor haar omgeving — en meer afgestemd op wie ze is. Ze ziet nu meer dan ooit de schoonheid van ontmoeting en maakt er bewust ruimte en tijd voor, in plaats van het tussen "het echte werk" te proppen. Haar advies aan jonge onderzoekers die in complexe sociale realiteiten stappen: durf tijd te verliezen. In onze ratrace zijn we zo bezig met to-dolijstjes; durf tijd te maken voor een koffie met iemand die je niet meteen als "nuttig" ziet, want ware inspiratie zit vaak in de onverwachte ontmoeting. En wat ze hoopt dat lezers meenemen: de legitimiteit van hun eigen verhaal — de uniciteit van elk verhaal en de waarde ervan om verteld te worden, gedeeld te worden, ruimte te krijgen.

Space for Stories van An Ansoms was de aanleiding voor dit gesprek. Wil je geen enkele aflevering missen? Abonneer je op Kom Maar Dichter via je favoriete podcastkanaal, en schrijf je in op The Conversation Layer — dan belanden de gesprekken, transcripties en extra reflecties meteen in je inbox.