Tuly Salumu | we erven niet alleen een huidskleur, maar ook de zonde van onze vaders

Dit gesprek raakt aan gevoelige thema's, waaronder racisme, huishoudelijk geweld en mentale gezondheid.

Bintje, een op scherp gestelde versie van mezelf

Bintje ligt heel dicht bij Tuly — "een beetje mijn spiegel". De naam is geen toeval: Tuly werd vernoemd naar het kinderliefje van haar vader, Tulynabintu, en koos diezelfde naam voor haar hoofdpersonage. Na de publicatie liet ze "Bintu" zelfs op haar arm tatoeëren, als permanente herinnering aan het schrijfproces. Het boek is een roman met veel fictie, maar evenveel autobiografische elementen; Bintu, zegt Tuly, is "een op scherp gestelde versie van mezelf", waarin bepaalde aspecten van haar persoonlijkheid zijn uitvergroot. Aanvankelijk wilde ze memoires schrijven, maar koos uiteindelijk voor fictie om zichzelf en vooral haar familie te beschermen.

Niet elke scène moet heftig zijn

Als journalist (voor onder meer Het Nieuwsblad, De Gentenaar, rekto:verso en Mo*) had Tuly de neiging om het rauwste, het hardste verhaal te zoeken — een neiging die ze in haar roman moest temperen. Het boek gaat over huishoudelijk geweld en racisme, en ze voelde lange tijd dat een scène "erg" moest zijn om het waard te zijn neergeschreven te worden. Maar een roman heeft ook lucht nodig: de lezer moet af en toe kunnen ademhalen. Het was vooral de Schrijversacademie in Antwerpen, die ze tijdens corona begon, die haar hielp om die lucht in het verhaal te krijgen — een traject van twee, drie jaar onder begeleiding van ervaren schrijvers, aan het einde waarvan het boek af was.

Eenzaam én verbonden

Schrijven is voor Tuly het gelukkigst alleen, achter haar schrijftafel — maar ze werkt niet graag in het abstracte. Ook al is ze gevoelig voor kritiek, ze heeft feedback nodig, omdat ze zich in details kan verliezen en van de kern afdrijft. Het is een wisselwerking: een proces in eenzaamheid, maar met anderen die haar terugbrengen naar de essentie. Haar ideale schrijfplek — een tuinhuis met zicht op haar moestuin — moet ze nog bedingen bij haar vriend, die het heeft ingepalmd. Bintje schreef ze "tussen de soep en de patatten", als mama van twee kleine kinderen; intussen staat ze elke dag om 5 uur op om tot 7 uur te schrijven, haar leukste moment van de dag, met een nog leeg hoofd. Het kost sociale opoffering (om 9 uur in bed), maar het werkt. Ze laat zich daarin inspireren door Toni Morrison, die een dag waarop ze de zon niet had zien opgaan een verloren dag noemde.

Wanneer wist ze dat dit boek er moest komen?

Niet één moment, maar een opeenstapeling. Corona en de eerste lockdown gaven haar voor het eerst ruimte om te reflecteren, en intuïtief begon ze te schrijven — iets wat ze sinds haar kindertijd niet meer had gedaan. Er vloeide een verhaal uit haar vingers over haar vader, over hoe ze zich hem voorstelde in Congo, waar hij tot zijn twintigste woonde. Ze diende het in voor een schrijfwedstrijd en won. Daarna won ze ook de schrijfwedstrijd van Kif Kif — tot haar grote verbazing, want ze is onzeker van nature — wat haar de steun en feedback gaf om naar de Schrijversacademie te gaan. Het groeide organisch, mede dankzij haar vriend die in haar geloofde. Het viel ook samen met een werkgerelateerde depressie: in die periode waarin bijna niets lukte, lukte schrijven nog wél, en gaf het haar voldoening. Toen wist ze dat het schrijven moest blijven.

Schrijven als therapie, met een gouden randje

Tuly weet dat sommige schrijvers het verafschuwen, maar voor haar wás het schrijven een vorm van therapie — een "gouden randje" over een moeilijke periode. Het legde haar weer bij iets wat ze twintig jaar uit het oog had verloren: bezig zijn met haar fantasie, haar herinneringen, zichzelf. De vreugde die ze als zesjarige voelde toen ze leerde lezen en schrijven, was ze tijdens haar tienerjaren kwijtgeraakt — onder de druk om te presteren en, als "dubbelbloed", om erbij te horen en zo min mogelijk op te vallen. Veel mensen vragen of het niet moeilijk was om de heftige dingen op te schrijven, maar voor Tuly was het net plezierig: de herinneringen lagen ver genoeg om er met afstand naar te kijken.

Bewust worden van je lichaam en je huidskleur

"Op school wilde ik niet opvallen, maar mijn lichaam werkte tegen." Mensen zeggen vaak dat kinderen geen kleur zien, maar Tuly toont het tegendeel: nooit was ze zich zo bewust van haar huidskleur als tijdens haar eerste schooljaren. Het ging om kleine dingen die veel kwaad berokkenden — een juf die een foto van een Afrikaans kindje toonde en vroeg "op wie lijkt dit?", een verjaardagsfeestje waar ze niet mocht komen omdat ze "een bruin kindje" was, kinderen die vroegen of die huidskleur eraf te wassen viel. Haar moeder wist niet wat ze met haar haar moest en stuurde haar naar een Vlaamse kapper die het kortknipte; later smeerde een kapper bijtende relaxerende crème op haar hoofd, met brandwonden tot gevolg, maar haar haar was plat — en daar was ze blij mee. "Eigenlijk doe je jezelf volledig teniet, gewoon om erbij te horen." Ze groeide vooral op bij haar witte moeder, omringd door witte mensen, zonder spiegel — en dat was eenzaam.

Van "half" naar "dubbel"

"Een halfje is minder dan één." Zo voelde Bintje zich, en zo voelde Tuly zich: half wit, half zwart, nergens helemaal thuis. Ze gebruikt nu bewust de term "dubbelbloed" in plaats van "halfbloed" — de evolutie van geloven dat je maar half bent naar beseffen dat je dubbel bent, dat je dubbele origine een rijkdom is. Maar die weg van half naar dubbel heeft ze nog niet volledig afgelegd. Net daarom voelt het woord voor haar niet zomaar als "een woord": ze is er overtuigd van dat taal belangrijk is in het emancipatieproces, maar het hangt vol emotie, en het is voor haar soms moeilijk om dat woord "dubbelbloed" überhaupt voor zichzelf op te eisen. Ze is jaloers op mensen — vaak met een moeder van andere origine, terwijl haar Congolese vader afwezig was — die hun roots veel natuurlijker en zelfverzekerder dragen. Afwezigheid van de vader betekende ook afwezigheid van de cultuur.

Taal als kwetsuur

Bintje spreekt de moedertaal van haar vader niet, en ook Tuly leerde geen Swahili, Lingala of Frans van haar vader — mede omdat hij van haar moeder Nederlands moest leren. Daar hangt veel schaamte rond. Ze studeerde Frans omdat ze het belangrijk vond die taal machtig te zijn, maar mondeling hoor je dat ze Vlaamse is; als ze tijdens een lezing een Frans zinnetje uit haar boek moet voorlezen, schaamt ze zich — "ik ben half Congolees en kan dit zelfs niet als een echte Congolees voorlezen." De standaarden die ze zichzelf oplegt liggen zo hoog dat ze er niet aan begint. Ooit, met haar kinderen wat ouder, zou ze het samen willen leren — iets verbindends.

Vernedering buiten, macht binnen

De vader van Bintje wordt op straat en door zijn schoonfamilie racistisch behandeld, maar is thuis gewelddadig naar de moeder — alsof hij die plek wil "lijmen". Tuly probeerde te tonen hoe het juist door die kwetsbare positie in de maatschappij is dat hij thuis des te sterker de grote man, de dwingeland wilde zijn. Ze zocht een verklaring — waarom slaat iemand zijn vrouw, zaait hij psychische terreur? Misschien omdat hij als man niet gezien werd in de Belgische maatschappij, door zijn huidskleur en afkomst. Een verhaal dat ze fabriceerde, geeft ze toe, want in hoeverre het echt zo is, weet ze niet; je zoekt altijd verklaringen voor het gedrag van je ouders om ermee te kunnen leven.

Loyaliteit, en de ongebeurtenis

De enorme loyaliteit van kinderen naar ouders komt sterk naar boven — het zoeken van verklaringen voor gedrag dat eigenlijk verkeerd is. Als kind moet je je ouders, zeker tot een bepaalde leeftijd, als helden kunnen zien; als dat niet kan, is de klap zo groot dat je een copingstrategie ontwikkelt waar je je als volwassene moeilijk van losmaakt. Ergens in het boek staat het woord "ongebeurtenis" — iets dat gebeurd is, maar dat het kind als coping wegduwt. En tegelijk: wat Bintje niet oplost in haar leven, popt weer op in het leven van haar zoon, alsof iets verteld móét worden, en als deze generatie het niet doet, dan de volgende.

Trauma dat heelt over generaties heen

Tuly kiest er bewust voor te geloven dat het leed dat ouders en voorouders dragen, op een gegeven moment in de stamboom door een volgende generatie gemedieerd, hersteld, of op een creatieve manier doorleefd kan worden — tot iets moois. Dat vindt ze een veel mooier idee dan leed dat zich eindeloop doorgeeft zonder einde. Ze ziet het bij derde- en vierdegeneratiemigranten, die zich afvragen wat hun familie verloor op weg naar België — vragen waar hun ouders of grootouders de ruimte of energie niet voor hadden. Soms ziet ze zichzelf als een kanaal van alle ervaringen, en alle pijn, van haar ouders en grootouders, die via haar pen naar buiten moet komen — zodat zij gezien worden, en zijzelf ook. (Haar broer noemt haar een hopeloze optimist.)

Het stigmatiserende taalgebruik — en waarom het erin moest

Het boek bevat een disclaimer over stigmatiserend taalgebruik: had Tuly die woorden verzwegen, dan zou dat een verwrongen beeld opleveren. Daar blijft ze achter staan. Die woorden weglaten zou de witte lezer "ontslaan" — niet dat elke witte lezer verantwoordelijk is, benadrukt ze, maar ze wilde dat lezers in de huid van Bintje kropen en voelden hoe pijnlijk het was. Sommigen binnen de antiracistische gemeenschap vinden dat je zulke woorden nooit mag gebruiken, ook niet in boeken die het juist aanklagen, maar daar is Tuly het niet mee eens: verzwijgen hoe erg het was, helpt niemand. De generaties van nu moeten weten hoe het was in de jaren 90, anders beseffen ze niet waarvoor gestreden is. Oud-klasgenoten die ze niet meer hoorde, reikten na het boek naar haar uit: "wij wisten niet dat jij dat allemaal meemaakte." Ze had dit verhaal nodig om zelfs haar nabije omgeving duidelijk te maken hoe het was — al betreurt ze dat ze veel minder reacties kreeg van lezers met een migratieachtergrond dan van witte lezers, iets waarin ze die groep beter zou willen bereiken, want ze schreef het boek vooral voor hen en voor zichzelf.

Bob Dylan, en de pijn als kurkentrekker

De lucht in het boek komt onder meer van muziek. Tuly verwijst naar Bob Dylans "You're a Big Girl Now" — bij dat lied krijgt ze altijd tranen in de ogen. Voor haar is het haar vader die haar toespreekt over zijn fouten en het gemis, het besef dat hij de klok niet kan terugdraaien nu ze groot is. Pas later ontdekte ze dat Dylan het na het einde van een liefdesrelatie schreef — "nee, dit lied gaat toch gewoon over mij en mijn vader." De pijn die als een kurkentrekker door het hart gaat, is voor haar de eenzaamheid van het dubbelbloed-zijn, van het opgroeien met een afwezige, zo vaak gekleineerde vader.

Het gekwetste kind, en schrijven als verbinding

De kwetsuren waarop het boek deels gebaseerd is, draagt Tuly nog elke dag met zich mee — bewuster dan vroeger, en ze werkt er dagelijks aan om er op een gezonde manier mee om te gaan, ook al gelooft ze niet dat ze helemaal te helen zijn. "Ik zal altijd een gekwetst kind blijven dat op zoek is naar verhalen van andere gekwetste kinderen." Net daarom wil ze verhalen schrijven waarin anderen zich herkennen en troost vinden. Verbinding zoeken met anderen door hun verhalen is voor haar een belangrijke vorm van heling — ze vond het zelf onder meer in de tekst van Bob Dylan, en dat probeerde ze met Bintje voor anderen te doen, al is het maar voor één iemand.

Wat hierna komt

De uitgever vroeg om een Bintje 2, maar daar voelt Tuly zich nog niet klaar voor. Ze schrijft nu een soort liefdesroman — een zijsprongetje, al zit racisme en diversiteit er toch in — om haar "schrijfspier" te trainen voor groter werk. Ze droomt ervan voor elk familielid een roman te schrijven, met als kers op de taart een historisch boek over haar grootvader, die minister bleek te zijn geweest in Oost-Congo — een verhaal dat onderzoek in Congo vraagt, wat nu met kleine kinderen niet past. Daarin wringt het schrijversleven (dat voor haar ook een stuk Congolese identiteit is) met het leven als moeder (dat "heel wit" voelt) — een weg die ze nog aan het zoeken is.

Het laatste woord

Tot slot leest Tuly een passage voor waarin de kleine Bintje op school zit en haar vader haar te vroeg komt ophalen — twee werelden die ze het liefst uit elkaar hield. Haar hart zwelt van trots wanneer hij de klas binnenwandelt, tot de juf de kinderen erbij roept "omdat ze misschien nog nooit een n***r hebben gezien", en de klasgenoten joelend toestormen en de bebloede pleister van zijn nek rukken.

Bintje van Tuly Salumu was de aanleiding voor dit gesprek. Wil je geen enkele aflevering missen? Abonneer je op Kom Maar Dichter via je favoriete podcastkanaal, en schrijf je in op The Conversation Layer — dan belanden de gesprekken, transcripties en extra reflecties meteen in je inbox.